1831

Cronesteyn begrenzing

park/terrein

Beschermd door Gemeente als monument.

Polderpark Cronesteyn
bij Cronesteyn, Polderpad, Cronesteinpad, Boerenpad, Knotterpad | Leiden
park
Evert Cornet

OMSCHRIJVING VAN HET OBJECT INLEIDING Herkenningsgegevens Het park is gelegen aan de zuidwestelijke rand van Leiden tussen de stad en het landelijke gebied. Het Polderpark Cronesteyn ligt in Leiden ten zuiden van het centrum en grenzend aan de gemeente Zoeterwoude. Het ligt ingeklemd tussen de A4, de spoorbaan Leiden-Utrecht, de Vrouwenweg en het Rijn-Schiekanaal of Nieuwe Vaart, zoals deze door veel Leidenaren wordt genoemd. De begrenzing is hierboven in het paspoort opgenomen. Het gebied bestaat uit een polderpark met verschillende biotopen en is begrensd door hoge bomen. Door het gebied lopen wandel- en fietspaden en zijn gebouwen en functies op-/ ingericht die bijdragen aan de recreatieve waarden, zoals een theehuis met kinderboerderij, schooltuinen, camping, volkstuinencomplex. Specifieke bijzondere onderdelen De hoge natuur- en landschappelijke waarden binnen het Polderpark Cronesteyn behoren tot de belangrijkste kenmerken van het park. Dit komt tot uiting in de verschillende biotopen die zich binnen het Polderpark bevinden, zoals weilanden, de slotenstructuur, een moerastuin en een kasteelbos. Elke biotoop kent zijn eigen flora en fauna ten behoeve waarvan de biotopen in stand worden gehouden. Als basis voor de natuurwaarden is het cultuurhistorische landschap, zoals dat er in de periode 1967 – 1981 lag als uitgangspunt genomen. Hierdoor zijn er ook cultuurhistorische landschappelijke elementen en geologische elementen bewaard gebleven, waaronder de karakteristieke verkavelingsstructuur, enkele kreken en een kasteelterrein met een binnen- en buitengracht. Binnen het park is ook bebouwing en landschapskunst (Krijn Giezen – Broei en Maartse Buien – Kleigeisers) opgenomen, die de tijdsgeest van de aanlegperiode en doorontwikkeling van het park zichtbaar maken. Beide kunstwerken hebben een ecologische inslag, waardoor ze aansluiten op de visie achter het parkontwerp. De architectuur van het bezoekerscentrum met kinderboerderij wordt hierbij met name genoemd vanwege het gave structuralistische ontwerp van de Krijn Giezen en architect Jan Overbeek.   HISTORISCHE CONTEXT Evert Cornet Evert Cornet (1925-1997), geboren in Leiden, was een Nederlandse tuin- en landschapsarchitect die een belangrijke rol speelde in de vergroening van Leiden en omstreken. Zijn loopbaan begon als tuinman bij de Hortus in Leiden. Hij had reeds een grote passie voor natuur en landschapsarchitectuur. Na zijn afstuderen aan de Rijkstuinbouwschool in Boskoop werkte Cornet bij de Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij (Heidemij), waar hij aan verscheidene grote projecten werkte, waaronder Park De Wezenlanden in Zwolle en de tuin van de Johanna Stichting in Arnhem. Bij het project in Zwolle werkte hij samen met de gerenommeerde tuinarchitecte Mien Ruys. In 1974, tijdens de ontwikkeling van het project Vlietpark, stapte Cornet over naar de gemeente Leiden als waarnemend hoofd van de Plantsoendienst. Hij voelde een diepe verbondenheid met zijn geboortestad en vond dat Leiden te weinig groenvoorzieningen had. Zijn eerste initiatieven richtten zich dan ook op het verbeteren van de groenvoorzieningen en het bomenbestand in de stad. Cornet ontwierp de parken op de stadswallen, zoals het Ankerpark, Huigpark, Katoenpark, Bleekerspark en Park de Put. Deze projecten werden gerealiseerd in de jaren ’80 en vormden de basis voor het huidige Singelpark in Leiden. Later kwam hier Park de Bult nog bij. In 1966 raakte Cornet, toen nog werkzaam voor de Heidemij, betrokken bij de ontwikkeling van het Vlietpark, het huidige Polderpark Cronesteyn. Het betrof destijds een samenwerking tussen de Heidemij en de gemeente Leiden. Hoewel het uiteindelijke park kleiner veel kleiner werd dan het oorspronkelijke plan, zag Cornet het als een kans om zijn visie voor natuurgerichte recreatie te realiseren. De inspraak van de verschillende partijen hielp daarbij. Het in de oorspronkelijke plannen meer ontworpen landschap, behield na de inspraak zijn historische karakter van open polderlandschap. Het park bood Leidenaren ruimte voor dagrecreatie en diende als voorbeeld van hoe stadsvergroening een bijdrage kon leveren aan de leefbaarheid en biodiversiteit. Cornet noemde Polderpark Cronesteyn zijn mooiste project, waarschijnlijk vanwege de omvang en de vrijheid die hij had om een grote groene ruimte van 91 hectare te ontwerpen in een stedelijke omgeving. Cornet bleef ook na zijn VUT in 1986 actief betrokken bij Polderpark Cronesteyn. Hij speelde een prominente rol in de oprichting van de Vereniging Vrienden van het Polderpark naar het voorbeeld van de Stichting Vrienden van de Leidse Hout, en diende in diverse functies binnen de vereniging. Daarnaast nam hij deel aan de Floriade van 1992 in Zoetermeer (hoewel het onduidelijk is wat zijn rol daar precies was) en ontwierp hij in 1993 de varentuin in de Hortus Leiden. Cornets toewijding aan het vergroenen van Leiden en de omgang met parken bleef tot aan zijn overlijden in 1997 een belangrijk thema in zijn leven. Hij bleef nauw betrokken bij Polderpark Cronesteyn, maar ook bij de Leidse Hout. Cornet stond bekend als een ontwerper die zich vooral richtte op de grote lijnen en de visieontwikkeling van een project. Hij liet de detailuitwerking en beplantingsplannen vaak over aan anderen, maar hield wel toezicht op het geheel. Zijn kracht lag in zijn overtuigingskracht en vermogen om zijn ideeën over te brengen, waardoor hij de steun van vele betrokkenen kreeg. Cornet vond het belangrijk dat parken niet slechts ‘kijkgroen’ waren, maar dat ze uitnodigden tot actieve participatie zoals wandelen, vissen en spelen. Hij pleitte voor gebruik van inheemse planten en tegen overmatig maaien en het gebruik van gif, zodat natuur zich vrijer kon ontwikkelen. Over Cornets stijl en oeuvre is relatief weinig bekend, omdat er geen compleet overzicht van zijn werk bestaat. Zijn werken, zoals Polderpark Cronesteyn en de parken op de stadswallen, vertonen enkele verschillen in ontwerpstijl. Terwijl het Polderpark meer natuurgericht was en elementen van recreatie integreerde, waren de parken op de stadswallen strak vormgegeven met rechte lijnen passend bij het historische krijgskundige karakter van de stadswallen. Het Polderpark gaf daarentegen duidelijker Cornets visie weer van een plek waar natuur en educatie samenkwamen. Het is daarmee een goed voorbeeld van zijn ideologie. Met zijn werk in Leiden wist Cornet de stad te vergroenen en bij te dragen aan een grotere betrokkenheid bij en kennis over de natuur. Zijn ontwerp voor het Polderpark Cronesteyn liet zien hoe een stedelijk park niet alleen recreatie kan bevorderen, maar ook natuurwaarden kan beschermen en educatieve mogelijkheden biedt voor bezoekers. Cornet was daarmee een kind van zijn tijd. Zijn werk weerspiegelt de opvattingen van die periode over de waarde en beleving van de natuur. Park binnen de tijdsgeest - landschapsarchitectuur In de periode aan het einde van de jaren 60 en begin jaren 70 groeide de onvrede over de functionele ontwerpen van de Wederopbouw. De schaarste aan groen in woonwijken en de eenvormigheid van hoogbouw leidden tot een verarming van de stad en het landschap. De toenemende bevolkingsgroei resulteerde in uitdijende steden en dorpen een schaarser wordende natuur. Auto’s werden gezien als essentieel middel voor het stedelijke leven en recreatie buiten de stad, maar de oliecrisis van de vroege jaren 70 veranderde deze perceptie. Het leidde tot de terugkeer van parken naar de randen van de steden: goed te bereiken voor wandelaars en fietsers. In de jaren 70 groeide mede door de oliecrises (1973) en de stedelijke groei, ook de interesse in de natuur en ontstond er behoefte aan natuur- en milieueducatie. De heemtuin, die zijn oorsprong in de 60’er jaren heeft en Nederlandse natuurlijke biotopen nabootste, legde hiervoor de basis. In deze tuinen werd een grote, geënsceneerde soortenrijkdom geïntroduceerd. De heemtuinen waren daarmee gericht op educatie, met informatie over de aanwezige planten. In de jaren 70 werden er nieuwe ecologische concepten ontwikkeld, maar die in eerste instantie vooral voortborduurden op de heemtuin. Niet de omgeving was leidend voor het ontwerp, maar de natuur die men bedacht had voor de plek. Vaak slaagde een dergelijk project niet, omdat de gekozen biotopen niet pasten bij de specifieke locatie. Desondanks veranderde de visie op natuur: deze werd niet langer als maakbaar gezien, maar als iets dat in dialoog met mensen moest bestaan. Tegen het einde van de jaren 70 en het begin jaren 80 veranderde die benadering opnieuw. Nieuwe landschapsarchitecten pleitten voor een natuurlijke ontwikkeling van groen, waarbij planten vrij mochten groeien waar ze opkwamen. Maar tegelijkertijd werd de natuur meer ontworpen: parken kregen een duidelijke afkadering met een grootse hoofdentreelaan, volledig omzoomd met bomen en ingevuld met functies als een sportveld, een kinderboerderij, een manege en/of een zwembad. Heldere structuren en zichtlijnen moesten helpen om de ruimte en de natuur te ervaren, zoals de wind die door je haren blies. Het idee was gebaseerd op de vraagstelling waarom je een bestaand landschap met al zijn kwaliteiten overhoop zou moeten halen. Dat versterkte de discussie over het behoud van karakteristieken van bestaande landschappen, ongeacht wat deze karakteristieken waren. Daar kwam bij dat steeds vaker kunstenaars werden betrokken voor de aanleg van landart binnen gebieden om plekken betekenis te geven of om gehele gebied te ontwerpen. Park binnen de tijdsgeest – sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen Het Polderpark is een plek waar het brede gedachtengoed uit de jaren 70 en 80 van de 20ste eeuw samenkomt. Vanaf ongeveer 1973, het moment waarop opdracht werd gegeven voor de uitgangspuntennota Vlietpark, waarvan het Polderpark onderdeel uitmaakte, hebben verschillende betrokkenen vanuit hun perspectief in de tijd nagedacht over de ontwikkeling van de plek. Dat startte al met de omslag van de eerste ontwerpen van het Vlietpark, waarin de voorzieningen en de auto boven het landschap werden verheven. Met het voortduren van de tijd, kwam het voortschrijdend inzicht. Op economisch en ecologisch vlak en daarmee in algehele denken over de maatschappij waren er ontwikkelingen, die zich direct vertaalde in het ontwerp. Bereikbaarheid van voorzieningen zonder auto werd belangrijk en interesse in landschap en natuur bloeiden op. In combinatie met de participatie-cultuur die vanaf het einde van de jaren 60 was opgekomen, beïnvloedde dit in grote mate het ontwerp en de procedure van de uitvoering. De gevolgen van de tijdsgeest komt ook terug in verschillende projecten in het park. Zo zijn er verschillende projecten met behulp van de werkverruimende maatregel gerealiseerd, zoals het volkstuinencomplex. De Akkerdistel (schooltuingebouw en toiletgroep) en het bezoekerscentrum werden binnen datzelfde kader als een werkervaringsproject voor vrouwen en minderheden ingestoken. Rumoer ontstond er vervolgens ook rondom de tweede emancipatiegolf in de jaren 80. De gemeente zelf opdracht aan een bureau van enkel vrouwelijke landschapsarchitecten voor een onderzoek naar de sociale veiligheid van vrouwen in het park. Dat leidde tot algemene aanbevelingen ten aanzien van openheid van beplanting en de positie van paden. Op basis hiervan werden enkele aanpassingen in de noordelijke hoek van het park doorgevoerd. Niet veel later komt ook de Stichting Vrouwen Bouwen & Wonen in actie en benoemd verbeterpunten voor het park. Hier wordt uiteindelijk weinig mee gedaan. De emancipatiegolf heeft daarmee een bescheiden invloed gehad op het ontwerp van het park. De omgang met landschapskunst is een vierde aspect van de tijdsgeest, dat in het park een plek heeft gekregen. De invloed van landart, die vanaf de jaren 80 in opkomst was, resulteerde in het Polderpark in twee (semi-)permanente kunstwerken: die van Krijn Giezen (Broei, 1989) en het kunstwerk van Maartse Buien (Kleigeisers, 1997). Het gedachtengoed van de voorgaande betrokkenen hebben op deze manier een plek in het park gekregen. Naast de aanwezigheid van de fysieke, tastbare elementen van de tijd, zoals de landschappelijke inrichting, omvat het Polderpark Cronesteyn ook een samensmelting van de maatschappelijke ontwikkelingen uit verschillende tijden. Deze hebben uiteindelijk ook tot tastbare elementen of aanwijsbare ontwikkelingen geleid. De participatie en betrokkenheid beperkte zich niet alleen tot de inspraak rondom de vaststelling van het plan in de periode 1978 -1981. Het ging veel verder dan dat. Eerst in de vorm van de Commissie Polderpark Cronesteyn (CPC). Deze commissie werd in 1982 door de raad vastgesteld als een commissie die gevraagd en ongevraagd advies kon geven over de ontwikkeling van het park. Ze waren ook verantwoordelijk voor flora en fauna inventarisaties en informatievoorziening. Naast biologen zaten er ook inwoners (leken) in de commissie. Evert Cornet was voorzitter en bleef zo nauw betrokken bij zowel het project als de commissie. De bewaarde verslagen van deze commissie laten de betrokkenheid van de leden duidelijk lezen: er was veel vrijwillige inzet om de natuur te inventariseren, te ondersteunen bij activiteiten en het park en zijn ontwikkeling te monitoren. In 1992 werd vanuit de CPC de Verenging Vrienden van het Polderpark Cronesteyn opgericht, naar voorbeeld van de Vereniging vrienden van de Leidse Hout. Dit gebeurde op initiatief van Evert Cornet, die ook nauw betrokken was bij de Leidse Hout. Hij werd zelf, na zijn VUT, de eerste voorzitter en enkele jaren later vervolgens secretaris. De vereniging zette zich in voor het behoud van de kwaliteit van het park en maakte ieder jaar een jaarboekje met artikelen over de flora en fauna van het park en de historische verhalen over het gebied. Ook organiseerden zij activiteiten in het park. De Vereniging Vrienden van het Polderpark Cronesteyn ging in maart 2020 over in de Stichting Groen Cronesteyn. Zij zet zich in voor de bescherming en verbetering van natuur en landschap in Polderpark Cronesteyn, zoals het behoud van een mooi open park met plek voor de grutto, diversiteit in planten en schoon water. De natuur- en educatieorganisaties, die ook grotendeels op vrijwilligers draaien, en vanaf het begin van de parkontwikkelingen nauw betrokken zijn geweest bij de natuureducatie in het park hebben binnen de realisatie van de doelstellingen van het park ook een grote rol gespeeld. De wens de natuurwaarden van het Polderpark Cronesteyn te beschermen blijkt een breed maatschappelijk gedragen gevoel dat het park bij mensen oproept. De betrokkenheid is niet alleen een verenigingsaangelegenheid. Er is ook veel individuele betrokkenheid bij het park. Bezoekers kwamen er zelf al als kind en komen nu met hun eigen gezin of woonden vroeger in de buurt en blijven terugkomen vanwege het gevoel ver van de stad te zijn. Het ontwerp zet mensen aan tot het willen beleven en behouden van de bijzondere natuurwaarden en historische landschappelijke karakteristieken in het park. Precies wat Evert Cornet voor ogen had: een plek waar mensen in contact staan met de natuur en het agrarische landschap (en leven). Door de tijd heen blijkt het concept tijdloos te zijn. LANDSCHAPPELIJKE CONTEXT Ontstaan van het landschap tot 1967 De vorming van het gebied waarin het Polderpark Cronesteyn ligt, startte zo’n 6000 jaar geleden. Het was een gebied waar de zee lange tijd vrij spel had. Dit heeft veel invloed gehad op de ontwikkeling van de bodem. Er konden dikke veen- en kleilagen ontstaan, dat de kenmerken had van een waddengebied met dikke getijdengeulen. Het gebied is daarnaast ook gelegen in het mondingsgebied van de Oude Rijn. In het estuarium dat hier ontstond, werd het water via kreken afgevoerd door het landschap. Binnen het gebied van het Polderpark Cronesteyn zijn nog twee goed herkenbare kreken aanwezig. Het grillige verloop van enkele verkavelingen en enkele hoogteverschillen in het landschap van kreekuitlopers doen vermoeden dat het parkgebied oorspronkelijk veel meer kreken bezat. De kust stabiliseerde rond de middeleeuwen. Dit is ook de periode waarin de vorming van het landschap overging van een natuurlijk proces op een door mensenhanden geleid proces. Wanneer het gebied waarin het Polderpark Cronesteyn ligt precies is ontgonnen, is niet bekend. Bij de ontginning van het landschap werden de bestaande natuurlijke watergangen van de kreken in het verkavelingspatroon opgenomen. Er is binnen de polder zowel blok- als strokenverkaveling aanwezig. Waarvan de eerstgenoemde waarschijnlijk de oudste is. In de 17de eeuw kreeg de waterstaatkundige eenheid waarin het park is gelegen de naam Kleine Cronesteinse-of Knotterpolder gekregen. Dit was na samenvoeging van een viertal polders: het Knotterpoldertje, het poldertje van Panhuysen, het Wesenpoldertje en het Hooipoldertje. In 1665 werden ook de landen rondom het kasteel Cronesteyn bij de polder gevoegd. De nieuwe polder lag tussen de Roomburgerwatering, de Malle- of Mollesloot, de Meerburgerwatering en de Vrouwenvaart. Bij de samenvoeging van de vier afzonderlijke watersystemen werden de kaden van de polders met elkaar verbonden. De Kleine Cronesteinse en Knotterpolder viel tot 1966 onder de gemeente Zoeterwoude. In dat jaar werd het door een grenscorrectie bij de gemeente Leiden gevoegd. Bemaling van de polder werd uitgevoerd door de Knottermolen, die in het zuiden van het gebied staat, aan de Boezemwetering. Deze windschepradmolen werd in 1660 gebouwd als vervanging van een molen uit 1408 en is in 1931 vervangen door een oliedieselmotor (huidige systeem onbekend). Inlaat van water in de polder kwam zelden voor, maar was via inlaten bij kasteel Cronesteyn en de Mallesloot wel mogelijk. Door de polder liep een belangrijke doorgaande landweg tussen Zoeterwoude naar Leiden met een voetvoer over de Roomburgerwetering (de voorganger van het Rijn-Schiekanaal). Aan het einde van de 13de tot en het begin van de 14de eeuw ontstond er aan de Roomburgerwetering een versterkt huis dat de naam Heer Wouterswerf kreeg. Het betrof een leengoed. In 1510 komt voor het eerst de naam Cronesteyn voor als verwijzing naar dit kasteel. Vroeg kaartmateriaal waarop het kasteel staat ingetekend, laat zien dat het kasteelterrein was opgebouwd uit een buitengracht waarbinnen verschillende agrarische functies waren opgenomen (twee boerderijen, hakhout, moestuin, hooi-/ weiland). In het hart van het gebied lag een tweede gracht waar zich de huisplaats bevond. De beide grachten waren met elkaar verbonden. Er was tevens een opvaart aan de noordzijde van het terrein. Gedurende het Beleg van Leiden werd het kasteel onbewoonbaar, maar niet met de grond gelijkgemaakt. Na het Beleg werd het opnieuw opgebouwd en in gebruik genomen als buitenplaats. Rond 1795 wordt het kasteel opgekocht en steen voor steen afgebroken om het als bouwmateriaal te verkopen. Sindsdien ligt het kasteelterrein er nagenoeg hetzelfde bij. Hoewel de diversiteit van de landschappelijke invulling binnen de buitengracht is verdwenen. Het verwerd gedurende de 18de en de 19de eeuw tot een (hakhout)bos met bij de boerderijen een enkele boomgaard of tuin. Gedurende de periode 1878 – 1980, tot de aanleg van het Polderpark Cronesteyn zijn met name de infrastructurele ontwikkelingen langs en in de Kleine Cronensteinse en Knotterpolder bepalend geweest voor het gebied. De aanleg van de spoorbaan (1878) door de Roomburgerpolder en een stukje door de Kleine Cronensteinse en Knotterpolder betekende een verlegging van de Mallesloot aan de oostzijde van de laatstgenoemde polder. Met de komst van het Rijn-Schiekanaal ter vervanging van de Roomburgerwetering kwam bijna een deel van het oude kasteelterrein van Cronensteyn te vervallen. De toenmalige eigenaar wist dat uiteindelijk te voorkomen. Als laatste betekende de snelle opkomst van de auto dat in de zuid-zuidoost hoek van de Kleine Cronensteinse en Knotterpolder een deel van de polder werd afgehaald ten behoeve van de aanleg van de A4 (destijds Rijksweg 4). Hierdoor werd de begrenzende Meerburgerwetering verlegd en delen van de polder werden ingericht voor bermen. Al in de jaren 70 werd ook een deel van de polder gereserveerd voor de aanleg van de aansluiting met de N11. In de tussentijd ontwikkelde zich in deze periode op twee plekken langs het Rijn -Schiekanaal een tuinbouwgebiedje. Ten eerste op het terrein van kasteel Cronensteyn en ten tweede in de weilanden ten noorden van het kasteelterrein. De beide terreinen zouden opgaan in het nieuwe Polderpark Cronesteyn. Het ontstaan van het Polderpark De weg naar het ontstaan van het Polderpark Cronesteyn was een lange weg, die geduurd heeft van 1967 tot en met 1981. De basis voor de ontwikkeling lag in de grote toename van de woningbouw in Leiden Zuid—west en de behoefte om meer recreatiemogelijkheden te maken. Verschillende studies van het rijk en de provincie speelden hierop in. Het doel was een groot gebied van drie polders (Oostvlietpolder, Kleine Cronesteinse en Knotterpolder en Roomburgerpolder) in te richten voor grootschalige en intensieve recreatie: zoals voetbal-, hockey- en korfbalvelden en tennisbanen, een camping, drive-in bioscoop, een strand, een jachthaven, enzovoort. Om de bereikbaarheid voor alle Leidenaren en regionale bezoekers te vergroten worden er verschillende brede ontsluitingswegen tussen en door de polders geprojecteerd. In 1967 wordt de Koninklijke Heidemaatschappij (Heidemij) door de gemeente Leiden gevraagd om een plan te ontwerpen onder begeleiding van de speciaal daarvoor ingestelde Commissie Vlietpark. De Heidemij levert hiervoor Evert Cornet en de heer Jebbink. In 1972/1973 wordt het plan voor het Vlietpark, zoals het project dan genoemd wordt, aan de raad van Leiden voorgelegd. Er zijn dan veel twijfels en op basis van een motie wordt het plan teruggestuurd naar de tekentafel. Er moest eerst een uitgangspuntennota opgesteld worden. Het was inmiddels de jaren 70. De interesse in natuur was toegenomen en dat komt ook naar voren in de uitgangspuntennota met tekeningen voor de nieuwe visie op de nota Vlietpark, die in 1977 gereedkomt. Ondanks dat er nog steeds veel ruimte was ingepland voor sportvoorzieningen was er ook een wandelpark bedacht en plaats gemaakt voor een biologisch agrarisch bedrijf. De Roomburgerpolder werd ingericht voor woningbouw met een klein park (Park de Bult) en de Oostvlietpolder werd gereserveerd voor volkstuincomplexen en een camping. De inspraak, eveneens een nieuw fenomeen sinds het einde van de jaren 60, betekende een grote omslag voor het plan. Partijen als Milieudefensie en de boeren die het gebied gebruikten gaven hun mening over het voorstel. Zij pleitten ervoor om de Kleine Cronesteinse en Knotterpolder open te houden en de waardevolle natuur- en landschapskenmerken te behouden. Het park dat aangelegd diende te worden, zou zo natuurlijk mogelijk moeten zijn en niet te veel ontworpen. De inspraak werd verwerkt in de plannen en dat leidde tot het uiteindelijke ontwerp van 1981. Hierin werd de polder als een foto bewaard en diende een groene wand van hoge bomen, waar wandel- en fietspaden tussendoor liepen, als omlijsting van het bewaarde landschap. De flora en fauna en waterkwaliteit zoals die in de jaren 50 op deze plek waren geconstateerd, werd het streefbeeld waaraan het park in de toekomst moest gaan voldoen. Behoud van natuurwaarden werd samen met het plaats bieden aan grootschalige recreatie (4000 personen per dag) het hoofduitgangspunt voor het ontwerp van het park. In 1974 was Evert Cornet van de Heidemij overgegaan naar de gemeente Leiden. Vanuit de rol als landschapsontwerper en plaatsvervangend hoofd van de Directe Groen, zou hij betrokken zijn bij de planontwikkeling van het Polderpark Cronesteyn. Ontwerpuitgangspunten van Polderpark Cronesteyn Bij het ontwerp van het Polderpark Cronesteyn werd het historisch waterrijke polderlandschap als uitgangspunt genomen. De elementen met een natuurwaarde of met educatieve kansen (agrarisch bedrijf, schooltuinen) werden in de ontwikkeling opgenomen. Hierdoor ligt er in het park een historische tijdslijn besloten met belangrijke relicten uit verschillende tijdslagen: vanaf het ontstaan van een estuarium met kreken zo’n 6000 jaar geleden tot de ontwikkelingen in de tuinbouw in het midden van de 20ste eeuw. Het opnemen van al die relicten binnen een park, dat duidelijk is afgebakend aan de randen, heeft er voor gezorgd dat er als het ware een foto is gemaakt van het gebied. Evert Cornet was als geestelijk vader van het Polderpark Cronesteyn niet rigide in de omgang met die foto. Hij gebruikte het als een momentopname van waaruit het landschap verder werd ontwikkeld. Daarbij werd het ontwerp beïnvloed door de grote recreatieve opgave die er aan ten grondslag lag. Deze omvatte het opvangen van 4000 dagrecreanten op een mooie zomerse zondag. Het kon niet anders dan dat er verder moest worden gekeken dan alleen de bestaande situatie rond 1975-1980. Al deze recreanten met verschillende wensen ten aanzien van recreëren moesten binnen de 90 hectare grond die voor het park beschikbaar waren een plek krijgen. Dat vroeg om vervlechting van oude elementen met toevoeging van nieuwe, die beleving van natuurwaarden en recreatie konden versterken. Extra wandel- en fietspaden, bosschages, tuinen en sloten werden aan het parkontwerp toegevoegd. In de meest westelijke punt van het Polderpark ontwierp Cornet het wegprofiel van het Cronesteynpad en de oever van het Rijn-Schiekanaal tot aan de ingang van het kasteelbos. Ook werden extra gebouwen aan het park toegevoegd die de educatieve functie konden opvangen. De eerder in de Oostvlietpolder geplande camping kreeg een proefversie op een eenvoudig natuurkampeerveldje naast boerderij Droogh (huidige Stochemhoeve), waar in 1987 twee trekkershutten geplaatst werden en de mogelijkheid werd geboden voor het kamperen met een tent. De nieuwe elementen hebben karakteristieken die passen bij het Zuid-Hollandse polderlandschap, waardoor soms zelfs verwarring zou kunnen ontstaan over wat oorspronkelijke landschapselementen zijn en wat nieuwe. Daarbij valt te denken aan de slingerende loop van het met inheemse bomen en struiken (o.a. wilg) beplante Polderpad richting de spoorlijn en de moerastuin. Waar toevoegingen een utilitair karakter hadden, zoals wandel- en fietspaden, zijn deze eenvoudig in opzet gehouden met gescheiden plaatsen binnen het parkprofiel. De vormgeving leidt tot een duidelijke visuele scheiding tussen historie en noodzakelijke toevoeging. Dit heeft binnen het ontwerp tot een sterke gelaagdheid van het landschap geleid. De eerste laag bestaat uit het historische landschap zoals dat er in 1981 lag. Daaroverheen ligt de parklaag, die op enige schaal ingrepen heeft gedaan in het historische landschap door het verbreden, dempen en nieuw graven van sloten. Maar ook nieuwe landschappelijke elementen, met een knipoog naar het historische landschap, zijn toegevoegd aan de historische laag, zoals de moerastuin, de vele bosschages en de grienden. De laatste laag is de utilitaire laag: bestaande uit eenvoudige infrastructuur. Tot op de dag van vandaag en in de nabije toekomst zullen hier nog nieuwe lagen aan toegevoegd worden, zoals de recent gerealiseerde paddenpoel en de voorgenomen wijzigingen bij het Reigersbos. Ook niet voorziene ontwikkelingen buiten het Polderpark hebben invloed op het park, zoals het veranderen van de waterstanden kort na aanvang van de uitvoerende werkzaamheden voor het Polderpark Cronesteyn en de ontwikkeling van hoogbouw in de driehoek Kanaalweg – Lammenschansweg -spoorlijn. Tot voor kort was de aanwezigheid van de stad nauwelijks waarneembaar in het Polderpark Cronesteyn zelf. De komst van de hoogbouw heeft dat veranderd, waardoor een nieuwe externe laag wordt toegevoegd, die afhankelijk van de aanschouwer positief of negatief zal worden gewaardeerd. Ontegenzeggelijk benadrukt deze nieuwe ontwikkeling de oorspronkelijke rol van het park, namelijk als park voor de inwoners van Leidse regio. Als gevolg van het toevoegen van nieuwe elementen aan het Polderpark bevat het park niet alleen een historische tijdlijn die eeuwen teruggaat, maar is er ook een tijdlijn aanwezig die gestart is bij de start van de aanleg van het Polderpark in 1982. Het polderlandschap groeit nog steeds op organische wijze door. Een werkwijze die vanaf het begin van de aanleg was ingezet en bestond uit meebewegen en anticiperen. De beste voorbeelden daarvan zijn het schrappen van een educatieve en recreatieve wandeling door weidevogelgebied, vanwege de negatieve effecten voor de vogels, en het werken met de minder natte dan verwachte omstandigheden in de moerastuin, na de aanpassing van het grondwaterpeil door het hoogheemraadschap. WAARDE De waarde van het Polderpark Cronesteyn is op te delen in verschillende onderdelen: zowel in de materiële als in immateriële waarde van het park. Binnen de materiële, overwegend ruimtelijke waarden is er vervolgens een onderscheid te maken tussen de waarden van het park als geheel en vanwege de losse onderdelen binnen het park. Daarbij is het een belangrijk aandachtspunt dat het Polderpark een levend monument betreft dat sinds de aanleg ervan aan veranderingen onderhevig is geweest. Voor de begrenzing van het Polderpark Cronesteyn wordt uitgegaan van het kaartbeeld (Bijlage). De essentie van het Polderpark Cronesteyn ligt in de doelstelling om de natuur- en landschappelijke waarden in het gebied te verweven met de noodzakelijk recreatieve opgave, waarbij de educatieve mogelijkheden die die combinatie biedt steeds worden benut. En die alleen in deze vorm tot stand heeft kunnen komen door de participatie van inwoners en deskundigen door middel van de speciaal voor dit park opgerichte commissies en belangenorganisaties. De ruimtelijke opbouw van het Polderpark Cronesteyn heeft een zeer hoge waardering. Deze bestaat uit het grote open binnengebied van het Polderpark, waarin zich een voor deze regio kenmerkend polderlandschap met historische verkavelingspatronen en begraasde weilanden bevindt. De omlijsting met groene hoog opgaande, overwegend inheemse bomen begrensd de open polder en draagt daardoor bij aan de ervaring van het open polderlandschap binnen deze omlijsting. Binnen de parkopzet is de aanwezigheid van een grote biodiversiteit (soortenrijkdom) en het streven naar versterking van daarvan, evenals het creëren van een hoge waterkwaliteit leidend voor het visuele karakter van het park. De waardering van het Polderpark Cronesteyn betreft een integrale waardering voor het gehele park aangegeven. Daarbinnen is een onderscheid te maken op basis van de beleefbaarheid van de ontwerpuitgangspunten van het Polderpark. De twee noordwestelijk aan de rand van het park gelegen boerderijen, waarvan een met camping, en de schooltuinen maken in mindere deel uit van het Polderpark. De reden hiervoor ligt in de beperkte openbaarheid van de terreinen en de ontsluiting die alleen vanaf het Cronesteynpad kan plaatsvinden. Met name de meest zuidelijk gelegen boerderij (in gebruik bij Gemiva) en de schooltuinen liggen verscholen achter tussen hoog opgaande bomen, waardoor ze ook vanuit het Polderpark in mindere mate als deel van het park worden ervaren. De terreinen maken functioneel wel onderdeel uitmaken van het park, vanwege respectievelijk het educatieve en recreatieve karakter van de voorzieningen. Ditzelfde geldt voor de volkstuinen, die pas op het laatste moment in het plan zijn ingepast en ondanks de openbaarheid van het terrein in mindere mate het concept van het park (behoud van openheid van het landschap en natuurwaarden) ondersteunen. Binnen het polderlandschap bevinden zich een groot aantal historisch landschappelijke relicten uit de periode die dateren van voor de aanleg van het Polderpark. Het betreft: - de restanten van de kreken uit het Holoceen, zowel de in de middeleeuwen voor de ontginning ingezette kreken die slechts als nauwelijks waarneembare verhogingen in het landschap liggen. - de verkavelingsstructuur in zowel blok- als strokenverkaveling uit de middeleeuwen. - de aanwezigheid van de Boezemwetering en de voormalige molenplaats aan de Boezemwetering, waarbij de Boezemwetering als een verhoogde watergang in het verder ingeklonken landschap ligt. - de Mallesloot, die als verhoogde watergang in het verder ingeklonken landschap ligt. - het terrein van het verdwenen kasteel Cronesteyn en de daarbij behorende ruimtelijke structuur van de binnen- en buitengracht en de boerderij-ensembles die het terrein als sinds de middeleeuwen flankeren. - de ruimtelijke opbouw met kamers tussen hoge bomen en hagen, als restant van de tuinderij aan het Cronesteinpad. - de locatie van het Polderpad als verwijzing naar de middeleeuwse infrastructuur over land tussen Zoeterwoude en Leiden. Al deze onderdelen hebben een intrinsieke waarde vanwege hun afzonderlijke historische achtergrond. Maar in het kader van het Polderpark Cronesteyn is de waardering vooral gericht op de samenhang van deze onderdelen, die aan de basis lagen van het ontwerp voor het Polderpark, en de waarden die zij hebben als biotoop voor de diversiteit aan flora en fauna. De in het kader van de parkontwikkeling aan het oorspronkelijke landschap toegevoegde elementen, zoals de wandel- en fietspaden, de moerastuin, de bosschages en het Polderpad hebben een zeer hoge waarde als onderdeel van het onderwerp van het Polderpark. Ze vloeien voort uit de doelstelling de recreatieve mogelijkheden van de polder te verbeteren, zonder de openheid, landschappelijke en natuurwaarden van het polderlandschap aan te tasten, waardoor ze zich naadloos in het landschap voegen. De landschappelijke kunstobjecten in de vorm van de restanten van het project Broei van Krijn Giezen en de Kleigeisers van Maartse Buien hebben een aparte plaats binnen de waardering van het park. Het kunstwerk Broei is, als uitvoering van de 0,5% kunstregeling, onderdeel van de ontwikkeling van het Polderpark en in samenhang met het park en het bezoekerscentrum ontworpen. Vanwege deze samenhang is er sprake van een hoge ensemble-waarde met zowel het park als het milieu-educatieve centrum. Het project Kleigeisers in een latere toevoeging. Hoewel het concept van dit kunstwerk past binnen de ecologische uitgangspunten van het Polderpark en specifiek voor deze locatie is ontworpen, betreft het een losstaande ontwikkeling. De beide objecten zijn binnen de kaders van Polderpark Cronesteyn niet kunsthistorisch onderzocht. Het bezoekerscentrum is als laatste onderdeel van het Polderpark gerealiseerd. In de functie was reeds in het ontwerp van 1981 voorzien. Het gebouw heeft zowel vanuit functioneel als architectuurhistorisch oogpunt een grote waarde binnen het park. Het is ondersteunend aan het ontwerpconcept van het park. Op zichzelf is er sprake van een gaaf bewaard structuralistisch ontwerp uit 1989 dat is opgebouwd uit blokken van 10mx10m en van de hand is van de architect Jan Overbeek in samenwerking met Krijn Giezen. Hierdoor is ook de opzet van het bezoekerscentrum van hoge architectuurhistorische waarde. De immateriële, cultuurhistorische betekenis van het Polderpark Cronesteyn is gelegen in de wijze waarop het Polderpark de tijdsgeest in zich heeft verankerd. In de afgelopen decennia heeft de inspraak en participatie van biologen/ ecologen en betrokken inwoners/ omwonenden vormgegeven aan de huidige verschijning van het Polderpark. Het Polderpark is daardoor een voorbeeld voor de cultuur van inspraak en participatie. De werkwijze met een vorm van begeleidingscommissie/ belangenbehartiger van het Polderpark die adviseert over de ontwikkelingen van het Polderpark is daardoor een belangrijke waarde van het park, die de essentie van het Polderpark versterkt. Het Polderpark Cronesteyn heeft een aantal projecten die tot stand hebben kunnen komen door de werkverruimende maatregel (volkstuinen) en werkervaringsprojecten (gebouw van De Akkerdistel en het bezoekerscentrum), waarbij in het kader van de emancipatie in de jaren 80 alleen vrouwen werden ingezet of alleen leden van minderhedengroeperingen. Het gebruik van dit soort projecten bij de aanleg van het Polderpark heeft het een sociaal-maatschappelijke meerwaarde gegeven. Een aspect dat ook anno 2024 in het park verankerd ligt. Boerderij Cronesteyn (zuidelijk van het kasteelbos) wordt gebruikt door Gemiva. Daarnaast wordt de camping beheerd met behulp van cliënten van Gemiva. Het Polderpark Cronesteyn heeft daardoor ook een sociaal-maatschappelijke waarde vanwege de educatieve projecten voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. WAARDERING Polderpark Cronesteyn is van algemeen belang vanwege: Cultuurhistorische waarden:  Het object is van hoge cultuurhistorische waarde:  • als daartoe ontworpen recreatiepark, inclusief de natuurwaarden en diverse onderdelen uit verschillende fasen. • als stadspark waarin het denken over recreatie en natuur uit de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw in zijn vormgeving tot uitdrukking komt. Het Polderpark is net als het eerder aangewezen Kooipark en de Leidse Hout een kind van zijn tijd. Zowel in zijn ontwerp als door de hoge maatschappelijke betrokkenheid bij het groenontwerp en beheer van het park is het Polderpark exemplarisch voor het denken over natuurontwikkeling, recreatie, natuureducatie, de omgang met erfgoed en participatie in de jaren zeventig en tachtig. • als voorbeeld van overheidszorg voor recreatievoorzieningen. • vanwege de aanwezigheid van verschillende cultuurhistorisch waardevolle landschappelijke en geologische elementen die in het ontwerp van het Polderpark zijn opgenomen, waardoor ze behouden zijn gebleven en een historisch gelaagd parkontwerp is ontstaan. Het gaat hier om:  - de begrenzing van het Polderpark door de Vrouwenvaart en het Rijn- Schiekanaal (kanaal van Corbulo, Roomburgerwatering), - de restanten van kreken uit het Holoceen, - de karakteristiek verkavelingsstructuur met blok- en strokenverkaveling uit de middeleeuwen en de aanwezigheid van de Boezemwetering en de voormalige molenplaats van de Knottermolen aan de wetering die de polder bemaalde, - de Mallesloot (verhoogde watergang in het verder ingeklonken landschap), - het terrein van het boven de grond verdwenen kasteel Cronesteyn en de daarbij behorende ruimtelijke structuur van de binnen- en buitengracht en de boerderij-ensembles die het kasteel sinds de middeleeuwen flankeren, - de ruimtelijke opbouw met kamers omzoomd door hoge bomen en hagen als restant van de 20e-eeuwse tuinbouwactiviteiten aan het Cronesteynpad, - de locatie van het Polderpad en mogelijk archeologische sporen van de landweg als verwijzingen naar de doorgaande landweg tussen Zoeterwoude en Leiden.   Sociaalmaatschappelijke waarden: Het object heeft sociaalmaatschappelijke waarden • Vanwege de hoge gebruikswaarde en maatschappelijke betrokkenheid  Architectuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarde:  Het object is van hoge architectuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarde:  • als belangrijk onderdeel van het oeuvre van de voor Leiden belangrijke landschapsarchitect Evert Cornet.   • vanwege de voor de jaren 1970 en 1980 typerende stadsparkaanleg, inclusief de historische gelaagdheid, de aanwezigheid van voorzieningen voor natuureducatie en actieve recreatie en de aanwezigheid van landschapskunst. • vanwege de ensemblewaarden van het park en zijn onderdelen. • vanwege het specifieke ontwerp van het park met het principe van de omlijsting met boomopstand en een groot open binnengebied, waarin het oudere, karakteristieke polderlandschap grotendeels gehandhaafd is. • als goed herkenbaar historisch agrarisch cultuurlandschap dat is ontstaan door middeleeuwse ontginningen, met een door de eeuwen heen steeds verder ontwikkelde infrastructuur ten behoeve van waterpeilbeheersing, typisch voor West-Nederland. • vanwege de bundeling van verschillende biotopen in het ontwerp van het Polderpark, zoals weilanden, de slotenstructuur, de moerastuin, grienden en het kasteelbos. Elke biotoop kent zijn eigen flora en fauna.

Cronesteyn collage
Cronesteyn landschap